NT2 en schooltaal: waarom alledaagse woorden struikelen
NT2-leerlingen lopen bij begrijpend lezen vaak vast op schooltaal: woorden die alledaags lijken, maar abstract en contextafhankelijk zijn. Denk aan verklaren, vergelijken of bedoelen. Deze woorden worden zelden expliciet uitgelegd, terwijl ze essentieel zijn om opdrachten, instructies en teksten te begrijpen. Effectieve onderwijszorg op niveau 2–3 vraagt om bewustwording, expliciete instructie en herhaald gebruik van schooltaal in alle vakken.
In veel klassen wordt aangenomen dat NT2-leerlingen vooral moeite hebben met moeilijke vaktermen. In de praktijk blijkt het tegenovergestelde. Juist woorden die vaak voorkomen, maar weinig concreet zijn, vormen struikelblokken. Schooltaal is geen thuistaal. Ze bestaat uit abstracte begrippen, denkhandelingen en instructietaal die leerlingen moeten leren doen.
Begrippen als uitleggen, samenvatten of verschil vragen niet alleen woordkennis, maar ook inzicht in wat er cognitief van een leerling wordt verwacht. Zonder die toegang blijft een opdracht vaag, zelfs als de tekst technisch gelezen kan worden.
Onderwijsonderzoek laat zien dat schooltaal een sterke voorspeller is van leerprestaties, met name voor meertalige leerlingen. De Onderwijsraad benadrukt dat taalvaardigheid niet losstaat van leren, maar de drager ervan is. Schooltaal fungeert daarbij als onzichtbare norm: wie haar beheerst, begrijpt wat er verwacht wordt; wie haar mist, loopt structureel achter.
Ook vakpublicaties in Didactief wijzen erop dat schooltaal zelden systematisch wordt onderwezen, terwijl ze in elke les aanwezig is — van rekeninstructie tot wereldoriëntatie.
Veel voorkomende situaties waarin NT2-leerlingen vastlopen:
Opdrachten met denkwoorden (beredeneer, verklaar, beargumenteer).
Instructies met tijd- en volgordetaal (voordat, nadat, tegelijkertijd).
Vragen die impliciete verwachtingen bevatten (Wat vind jij ervan?).
Deze woorden worden vaak als bekend verondersteld. Daardoor krijgen leerlingen onvoldoende handvatten om te laten zien wat ze wél kunnen.
Stap 1 – Signaleren
Noteer woorden die vaak in instructies en opdrachten terugkomen.
Let op woorden waar leerlingen op afhaken, vragen stellen of stilvallen.
Stap 2 – Expliciteren
Bespreek het woord los van de opdracht.
Benoem: wat moet je doen als je dit woord ziet?
Stap 3 – Modelleren
Doe het denkproces hardop voor.
Laat zien hoe je een opdracht ‘leest’.
Stap 4 – Herhalen en borgen
Laat hetzelfde woord terugkomen in andere vakken.
Koppel het aan visuele ondersteuning of vaste routines.
Deze aanpak is laagdrempelig en direct toepasbaar binnen zorgniveau 2–3.
Schooltaal leren is geen extra taak voor de NT2-leerkracht of remedial teacher alleen. Het vraagt een gedeelde taalbewuste houding binnen het team. Door woorden niet als vanzelfsprekend te beschouwen, ontstaat ruimte voor begrip, participatie en succeservaringen bij NT2-leerlingen.
Onderwijszorg begint hier niet met extra programma’s, maar met scherp kijken naar ons eigen taalgebruik.
